Mannlicher M95


Mannlicher M95

Omdat zwartkruit de loop snel vervuilt, zijn kleine kalibers minder geschikt. Zwartkruitgeweren hadden daarom doorgaans een relatief groot kaliber. Het Nederlandse Beaumont-geweer verschoot bijvoorbeeld kogels met een diameter van 11 mm. Een grote kogel is echter zwaar en vraagt om een grotere kruitlading om voldoende snelheid te bereiken. Een hoge snelheid is nodig voor een vlakke baan en een groot bereik.

De uitvinding van rookzwak kruit bracht hierin verandering. Dit kruit vervuilt de loop veel minder en is bovendien krachtiger dan zwartkruit. Ook verraadt de schutter zijn positie niet door een rookwolk na het schot. Frankrijk voerde in 1885 als eerste een geweer in dat met rookzwak kruit een kogel van 8 mm verschoot: het Lebel-geweer. Hierdoor konden Franse soldaten doelen op grotere afstand raken en hoefden zij de richtmiddelen door de vlakkere kogelbaan minder vaak aan te passen aan de afstand tot het doel.

Andere landen, waaronder Nederland, moesten hun zwartkruitgeweren daarom vervangen door geweren die patronen met rookzwak kruit gebruikten. De Nederlandse regering stelde in 1886 een commissie in om een vervanger voor het Beaumont-geweer te zoeken. Verschillende ontwerpers stelden modellen beschikbaar voor beproeving, onder wie Auguste Schriever uit Luik. Hij was vertegenwoordiger van de Oostenrijkse fabrikant OWG in Steyr en stelde een geweer met een Mannlicher-systeem beschikbaar.

Na de beproevingen bleven twee systemen over: een ontwerp met een verbeterd Geweer M.88-systeem en het ontwerp van Schriever. Het verbeterde Geweer M.88-systeem gebruikte een clip waarbij de patronen met de duim in het magazijn moesten worden gedrukt. Dit werd als minder praktisch beschouwd. Bij het ontwerp van Schriever werd de clip met patronen in zijn geheel in het magazijn geplaatst. Na het laatste schot viel de lege clip aan de onderzijde uit het magazijn. Daarom werd voor het ontwerp van Schriever gekozen.

De commissie richtte zich vervolgens op de nieuwe patroon met rookzwak kruit. Besloten werd dat de kogel een diameter van 6,5 mm zou krijgen. De patroon kon daardoor lichter worden uitgevoerd dan een patroon met een kogeldiameter van 8 mm, zodat een soldaat meer patronen kon meenemen. Er ontstond discussie over de keuze tussen een uitstekende rand en een uittrekgroef. Een uitstekende rand kan in het magazijn achter een onderliggende patroon blijven haken en neemt bovendien meer ruimte in. Het voordeel is dat een patroon met rand eenvoudiger te produceren is en minder nauwkeurige toleranties vereist.

Omdat het ontwerp van Schriever met patronen met rand tijdens de beproevingen de minste storingen vertoonde, werd gekozen voor het kaliber 6,5 x 53,5 R. Het geweer werd in 1895 als model M.95 ingevoerd, hoewel de eerste geweren toen nog niet waren geproduceerd.

Nederland kon de geweren aanvankelijk niet zelf produceren en plaatste daarom een bestelling bij OWG in Steyr. Later werden alleen onderdelen besteld, die op het Hembrugterrein in Zaandam door de Artillerie-Inrichtingen tot geweren werden geassembleerd. Toen ook de onderdelen in Nederland konden worden geproduceerd, vond de volledige productie daar plaats. Op door OWG vervaardigde geweren en grendelhuizen staat "Steyr" met het productiejaar. Nederlandse wapens dragen de aanduiding "Hembrug" met het productiejaar. Naast het geweer werden verschillende karabijnvarianten ontwikkeld.

Tijdens het gebruik in Nederlands-Indië bleek dat de relatief lichte 6,5 mm-kogel onvoldoende stopkracht had. Een getroffen tegenstander werd daardoor niet altijd onmiddellijk uitgeschakeld. Een voorstel om de lopen van de M.95-geweren en -karabijnen op te boren naar 8 mm werd uiteindelijk niet uitgevoerd.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Nederland nog steeds bewapend met een 45 jaar oud geweerontwerp. Het geweer was voor die tijd te lang en daardoor onhandig in beperkte ruimtes, zoals loopgraven. Ook werd het kaliber als te klein beschouwd. Tijdens de meidagen kon de grendel door vuil of door het uitzetten van het staal als gevolg van warmteontwikkeling tijdens het schieten vastlopen.

Na de capitulatie leverde Nederland de M.95-geweren en -karabijnen in bij de Duitse bezetter. Deze gebruikte ze voor tweedelijnstroepen. Sommige geweren werden aangepast voor een Duitse geweerriem en zijn te herkennen aan een gleuf in de kolf. M.95-geweren en -karabijnen waarvan de grendel hetzelfde nummer draagt als het wapen zijn tegenwoordig zeldzaam.

Na de Tweede Wereldoorlog werden M.95-geweren en -karabijnen in Nederlands-Indië en later Indonesië vanwege de beschikbaarheid van .303 British-munitie omgebouwd naar .303 British. Hiervoor hoefde alleen de loop te worden aangepast.

Bij de invoering beschikte Nederland over een modern legergeweer. Door de lessen uit de Eerste Wereldoorlog was het ontwerp bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog echter achterhaald. De meeste Europese mogendheden waren toen al overgestapt op kortere geweren in kalibers van 7,5 tot 8 mm.


Bronnen:
"De Mannlicher M.95 en de patroon van 6,5 x 53,5 R", Amersfoort 1995, Cozijn, Martens, Slootweg en De Vries
"Nederlandse Vuurwapens, Landmacht en Luchtvaart-afdeling 1895-1940", Amsterdam 1993, De Vries en Martens.

Auteur: V.C. Audiffred